donderdag 29 december 2011

De Dodenmars


                                                                             De Dodenmars.


Stijve koppies, hangtreurend, met de blik gericht op de stenen vloer.
Er is niemand die wil luisteren. Er is geen hoop op een frisse morgen.
Alles is weg gewreven, zoek geraakt, verdwaald, verloren, opgelost.
Een bezigheid van jaren.
Alsof het ooit niet anders was.
Er was toch een spel, met gejoel en gejuich in de broeierige vrije zomermiddag ?
Het zwembad met verstoppertje en gevulde koek ?
De warme soep komt op tafel, want het is een verjaardagsfeest.
Soep met weke kleine gehakt ballen ten midden van kringetjes vet.
Er zijn broodjes voor in de soep, die wordt gegeten met zilveren lepels.
Een tante gekleed in een flets paard rij pak neemt zo geluidloos mogelijk plaats, aan een even zo stil terras tafeltje.
Haar gezichtje staat strak van witte poeder en dode lippenstift.
De andere tante schuifelt ook al zo geluidloos en zonder gedachten lijkt wel,
met wiebel hoofdje boven een glaasje wijn naar een plaatsje daar tegenover.
Ze knikkenbollen elkaar toe.
De middag is als een lege zucht.
Een plotselinge regenbui.
We worden nat en er ontstaan plasjes, tot groot vermaak van het gezelschap.
Gelukkig. Zo wordt de tijd enigzins gebroken.
Mijn strakke kaken, en nek. Mijn lichaam begint in verzet te krampen.
Het wil ons zo graag buiten die lijntjes, die dodelijke lijntjes waarbinnen alles op zijn plek staat zoals het moet staan, en niet anders.
Hoe vaak is dit al niet gezegd.
De lijntjes waarbinnen alles is klem gezet, om maar met zekerheid te kunnen zeggen dat…
De touwtjes in handen, die ons de adem beneemt, het vocht uit onze lichamen wringt.
Het is geen leven met deze woorden en zinnen, al veels te vaak uitgesproken door dezelfde mensen.
Keer op keer. Een dreinend kind.
Luister hoe monotoon het gesprek zich door deze middag druilt.
Ik hoor het aan. Ik kijk naar haar, mijn moeder, en zie hoe ze zich maar niet wil bewegen.
Kan ze het niet ? Mijn moeder, ze is zo boos en onvervuld.
Ik luister, en ik hoor de dodenmars.
De dodenmars. Dat klinkt als doffe dode slagen, gedragen door klamme mist.
De dodenmars. Trommels met vuil vilten stokken, op diepe trommels bespeeld door mannen gekleed in het dode zwart.
Dit zal ons begeleiden in wat wij zijn verworden.
In bijna totale afwezigheid na het verschrikkelijke onzichtbare ongeluk.
Wat ons nu nog rest zijn wat laatste meters lucht. De laatste adem.
Verdoofd en eenzaam vallen we van de wereld.
Dan stopt de tijd. De rivier neemt ons mee naar open zee.
De zee ontvangt ons in al haar armen.
Smelt ons vlees, en verlost ons van het ondraagbare gewicht.

Edwin de Herder.
juli-november 2011.







Geen opmerkingen:

Een reactie posten